|
HET ENORME VAN WAT KWIJT IS
Besmetting
Van wie is het dringende stemmetje
vooruit, spring?
Onder het nieuws moet je in slaap
gevallen zijn.
Nee, ik viel niet in slaap. Een elektrische zee werd ontdekt
op de maan van Neptunus.
Dat heb je gedroomd.
Pek trekt blaren uit scheuren in de weg. Wanneer een slang zigzaggend oversteekt
branden zijn buikschubben dicht.
Seconden scheiden geluid van flits
vibrerend in de buikige wolken.
Wat opwindend en leuk voordat de storm voorbij rolt
en zijn dreun meesleurt
en de regen.
En nu rijst de naald uit het geluid van krekels
en vrienden breken af als een schoenveter. Er is een hoogtepunt van stilte
precies pas voor welke
bedoeling ik zou willen toedelen. Koplampen zijn merg in het duister. Vleermuizen
proeven nectar uit maanbloemen/kamperfoelie.
Elke morgen het ik waarvan handelingen uitgaan: oppakken
uit het saliebed, een krant, staren
naar het huis van de buren, gedachteloos.
Toestemming om wat dan ook te vragen.
Ingewilligd.
Heb ik het met praten uitgepist? Nee, het sloeg je adem los.
Mijn vlees trok blaren en liet los. Waartoe? Je zou
je eigen ogen uit hebben willen krabben
als je maar niet zou worden afgeleid.
Was ik naar de rand toe gestruikeld
toen er iets gebeurde? Om wat te horen? Een stemmetje dat aandringt –
Om nog net wat te zien? Een kleur
verdwijnt in zijn complement,
de dag doet de avondmouw aan. Lagen vangen afzetting
die bezinkt, indikt, verandert. De lange slaap
van diatomeeën die tot kwarts kristalliseren. Toch
blijft in korstige rots als een bandopname
de herinnering van de oorspronkelijke
dynamo opgeslagen.
Op elk moment in het traject mag je je hand dichtvouwen.
Dat wilde ademen, voordat hij de kroon vormde, ben je vergeten?
Het ontsnappen van de wateren ben je vergeten?
Stralende ondoorzichtigheid. Sprekende aarde. Waren we ooit niet
knus als tortels en samen wakker?
Maar iets heeft me weggesist.
More >> |