|
Contact
Noem de richting waarin het oog kijkt
de zichtlijn. Daar
waar het de oppervlakte aftast
van het zichtbaar oprijzende
zonder verwijzing naar een veld van menselijke aanwezigheid,
niet wegkijken.
Ik keek niet weg.
De neuronen pieken levendig. En de ramp
zal ook nog tot het einde toe voltrokken worden, tot de afwezigheid van meerduidigheid,
een nieuwe reikwijdte aan voelen. Wakker gescheurd. Wat als
een man zijn huis binnenging en zijn hand rustte
tegen de muur en de muur
bestond niet?
Kijk hoe je relatie met waarheid een spanning schept
die je verslapt hebt met compromissen.
Ja, en hoe verder
weg, des te meer zag ik er de waarde van. Maar staan
waar de kruising zich voordoet, zoals herfsteiken knakken
in licht van een meer, en zo
weerspiegeling dragend, stap verder naar binnen –
Nee, zei de stem, je slaat je
door een woud van pijn, onbegaanbaar, opgeschrokt, wolken die de bergrug
omwikkelen
en neerkomen in stroompjes,
blindheid die verwarring aanspreekt, in conflict met,
die verbanning tussen zelf en zelf uitmeet. Overdwars
aangestuurd. Niettemin begin je er te komen, te weten
uit diepe aandrang
de essentiële ervaring van … de dreiging van ontbinding van … maar nog niet.
Er is iets anders
dan de ritmes van afstand en aanwezigheid,
van grotere kwaliteit dan het stel kwaliteiten die omtrek bepalen en terrein
en lijden, waar oponthoud zo vaak
verkeerd wordt begrepen als een einder.
Is het woord voor een zinswending
niet ook zelf een zinswending?
Iets werd mij gegeven als een cadeautje
en een spook werd aan me gehecht, zwanger
van ambiguïteit.
En in de keel van taal,
en in de junivroege spreeuwenruzies
en in een paar kruimels in het bindwerk van een boek,
de stevige werkelijke stappen uit oneindig verdunde ervaring
die zeggen: Tong gaf ik je. Ogen.
Op elk moment in het traject kan het lichaam stilvallen. Herinner je je dit gedeelte?
Maar wie is het die spreekt
in het stralende, overmatige licht?
More >> |